|
A l l e s b e h a l v e d e l i e f d e
poëziewedstrijd voor jongeren van 16 t/m 29 jaar
2e ronde |
||
|
Deelnemers aan de tweede ronde:
MIR -
Femke Vindevogel -
jago -
jerry -
Lindsay Van den Abbeele -
Tsjarlie Tsjapling -
Pim te Bokkel -
Lucas Laherto Hirsch -
Hash -
Lux -
Ismene -
Myrte Mooi -
X Roelens -
David Troch -
Jill Bertels -
Daryl Eaves -
Robert Nouwen -
Charles Achterhuijzen
|
Myrte Mooi
(1982)
|
Van de prins Honderd jaar zul jij slapen. Honderd jaar zal ik struinen door sneeuw en wind door zon en bloesem. Tot de blaren op mijn voeten zo groot zijn als appels aan de zomerbomen zal ik honderd jaar struinen over ijs en wakken over weilanden en modder. Pas als jouw lippen glinsteren in het licht van de fakkels houd ik mijn adem in. Misschien wel zo lang dat ik honderd jaar zal slapen. Dan slaap ik en struin jij door zon en wind door sneeuw en bloesem over weilanden en wakken over ijs en modder. Of we slapen allebei en worden nooit meer wakker. Niet van elkaar, niet van de modder, niet van de ruizende bloesem die ruist op de weg naar de kus. Marit Ze staart door de glazen van haar bril en mijn wijn. Ik lust dat niet zegt ze en speelt met haar krullen. Ze spreekt met de woorden van haar haat en haar liefde. Ik houd niet meer van hem zegt ze en zucht met haar ogen. Als ik nu eens dit of zal ik dat is hij zo of zo of zo misschien. De zwartomlijnde glazen van haar bril en mijn wijn. Waar het zout in zal vallen maakt niet uit. Ik maak lawaai, zei de nacht tegen de stem, zoals altijd. Het kan niet anders, het is zo dat de auto’s razen en de mensen drinken dat de honden blaffen en de kinderen huilen. Stil, zei de stem tegen de nacht, stil nou. Het enige dat we willen horen is het donker en misschien de klanken van de natuur gespeeld op een piano van rozen. |